 |

|
|
|
De historie van de oranjerie
|
 |
Een oranjerie is een hoog en licht gebouw waar gevoelige planten overwinteren. Oorspronkelijk werd een oranjerie gebouwd voor de kweek van oranje- of sinaasappelbomen (vandaar ook de naam) en andere uitheemse planten. Het gold als statusverhogend om een verzameling bijzondere planten te hebben èn te behouden, vooral in Noord- en West-Europa met zijn kille winters.
Rond het midden van de 17e eeuw verscheen de oranjerie in ons land, met als belangrijkste kenmerk het grote aantal hoge ramen op het zuiden, voor een maximum aan middagzon. Die ramen steunden op gemetselde muren waarop simpele daken rustten, die pas in de loop van de 18e eeuw werden vervangen door de zo typerende glooiende pannendaken. De noordmuur werd meestal solide uitgevoerd in baksteen tegen kou en wind. De overwintering van tere planten hing ook af van de isolatie van de oranjerie. De zoldering werd meestal bedekt met stro en de houten wanden kregen bij strenge winters een extra leem- en rietkraag. Luiken en muren werden ook geïsoleerd met een laag boekweitdoppen, een heel doeltreffende methode.
Ook kachels en komforen verwarmden de oranjerieplanten, die vaak in houten kuipen stonden om de winters van West- en Noord-Europa te kunnen verdragen. Later, in de 19e eeuw, werden sommige oranjerieën zelfs ingenieus met vloerverwarming op temperatuur gehouden, om zo ‘de wortels warmte te geven’. En de bovenramen konden open om ‘de toppen van de planten lucht te geven’. Meestal bestond een oranjerie uit één hoge ruimte, maar sommige kenden ook aparte zaai- en stekkamertjes. De dubbele deuren zo hoog en breed mogelijk, betekende dat ook flinkere exemplaren nog in en uit konden.
Mobiele kuipplanten in microklimaatDe adel en gegoede burgerij lieten buiten de steden lusthoven bouwen, waarbij natuurlijk tuinen ontworpen werden en potplanten een decoratieve rol vervulden. Verplaatsbare kuipplanten en citrusboompjes en Kaapse gewassen sierden de buitenplaatsen en stonden `s winters opgesteld in een oranjerie. In het Italiaanse Padua bestond in 1545 al een oranjerie; in Nederland vanaf begin 1600.
Verwarming kenden deze oranjerieën nog niet, alleen in heel barre winters werden open vuren gestookt. Na de 80-jarige oorlog met Spanje (1648), maakten oranjerieën in Frankrijk, Nederland en Duitsland grote opgang. Uit Zuid-Italië werden de oranjebomen verscheept en `s zomers op het oranjeveld in de luwte opgesteld in eikenhouten tobben of kuipen. Kooplieden namen van hun reizen bittere en zoete sinaasappels, bananenplanten, Nerium oleander, Hibiscus, Hebe en granaatappels mee om te kweken voor geur en schoonheid. De tuin van de buitenplaatsen was niet alleen ommuurd om privacyredenen, maar ook om een microklimaat te krijgen. Gunstig op de zon en windvrij, verschilde het klimaat binnen de muren net genoeg om wat exotischer planten te kunnen kweken.
Met man- en paardenkracht verplaatstOver het kweken van oranje-, limoen-, en citroenbomen werden in de 18e eeuw allerlei praktische boeken geschreven. Daarin werd opgeroepen een beschutte Zuid-Europese vallei na te bootsen voor de zomeropstelling. Bij droog weer werden de bomen begin oktober naar binnen gebracht om bij een temperatuur van 8° tot 10° C. te overwinteren. Met een grote plantenverzameling was dit een zwaar karwei!
Opgetrommelde pachters hezen de bomen in kuip op een wagen. Vervolgens trokken de paarden de vracht naar de oranjerie, waar de kuipen op ronde palen werden getild en zo naar de oranjerie gerold. Daar moest opnieuw getild worden om de planten binnen te krijgen, omdat de oranjerie vaak hoger lag dan de tuin zelf. (En vandaar dat klassieke kuipen altijd handvaten hebben). Vorstvrij weer betekende dat de ramen van de oranjerie open konden.
Het condenswater vormde vaak een probleem en werd door de tuinlieden dagelijks weggeveegd. Aanvankelijk gebruikten de tuinlieden houten luiken in de oranjerie. Daarna kwam geolied papier (dat licht door liet, maar op den duur helaas ook water), gevolgd door ruiten van glas. Met schuiframen en bovenlichten konden de planten optimaal bediend worden van frisse lucht en zonlicht. Na half mei mochten de planten acclimatiseren op een lommerrijke plek en daarna voor zo’n vijf maanden weer naar buiten.
Versierd met pilasters en palmettenIn de 19e eeuw werd het decoratieve element belangrijker. Oranjerieën verschenen toen bij landgoederen en kastelen en kwamen veelvuldig voor in de ontwerpen van tuin- en landschapsarchitecten. Het oranjeriegebouw kreeg meer versiering in de vorm van pilasters en palmettenranden langs de gootlijsten en een brede verhoogde stoep of pergola in Italiaanse stijl.
De interieurs van sommige oranjerieën werden voorzien van fraai stucwerk op wanden en plafonds, gietijzeren ajour-bewerkte roosters en mediterrane vloertegels. En zelfs met sculpturen van bijvoorbeeld de bloemengodin Flora. Zulke decoratieve interieurs dienden `s zomers als overdekt (thee) terras. Agaves, laurierbomen, Camellia’s, waaier-, veder-, en Phoenixpalmen en Nieuw-Zeelands vlas sierden de kuipen en in de gietijzeren vazen stonden o.m. Lantana’s, Agaves, Myrtus, Yucca’s, Agapanthus en Solanum en Eucalyptus en zelfs koffiestruiken. In sommige oranjerieën werden ook druiven of orchideeën gekweekt.
|
|
|
|
 |
|
 |

|
 |