 |

|
|
|
De kracht van kruiden
|
 |
Al duizenden jaren worden kruiden gekweekt: als voedsel en medicijn, voor het aroma en als afweermiddel tegen het kwaad. Kruiden waren onmisbaar voor de genezing van allerlei kwalen; daarom heeft de kweek van kruiden in de tuingeschiedenis altijd een bijzondere plaats ingenomen.
Nuttig of voor de sier?Draait het nú vooral om een mooie tuin, vroeger waren sierplanten minder belangrijk dan nuttige planten. Eigenlijk bestaat die scheiding pas een paar eeuwen. In alle grote beschavingen zoals China, India en Egypte stond de kracht van kruiden centraal bij de natuurgenezers. In de oudheid was het Hippokrates die beroemd was vanwege zijn grote plantkundige kennis. Grieken en Romeinen noemden kruiden ‘groene medicijnen’, met als leidraad het lijvige werk van Dioscorides. Deze Griekse legerchirurgijn beschreef de geneeskrachtige werking van 600 planten in ‘De Materia Medica’, dat eeuwenlang als dè leer in geneeskruiden werd beschouwd. Na de val van het Romeinse Rijk stond de geneeskunde op een laag pitje in West-Europa.
De rol van kloosterlingenKruidentuinen duiken pas weer op in de 6e eeuw na Christus. Vooral kloosterlingen hielden zich bezig met de kweek voor zowel de voeding, genezing als religieuze vieringen. Een omsloten hof met een zuilengang vormde de basis van de kloostertuin. Beroemd was de kruidentuin van de Benedictijner monniken in het Zwitserse Sankt Gallen waarin ondermeer bonenkruid, venkel, munt, peterselie, rozemarijn, salie en wijnruit en zelfs irissen en lelies een plaats hadden. Afgelegen kloosters moesten geheel in eigen onderhoud voorzien. Daar werden groenten, kruiden en fruit gekweekt. Samen met verf- en oliehoudende kruiden, desinfecterende kruiden, bittere bierkruiden (zoals hondsdraf, duizendblad, lavas, gagel, wormkruid en rozemarijn).
Ziekenverzorging was ook vaak een taak van de kloosterlingen en zij gaven hun patiënten recepten met kruiden mee. Zo bleef de kennis van kruiden niet beperkt tot de kloosterhof, maar drong ook daar buiten door. Dorpelingen die geen geld hadden voor geneeskundige kruiden, verbouwden ze zelf. Welgestelden kochten medicinale kruiden en kruiden voor de geur. Toen stadsbesturen verantwoordelijk werden voor ziekenverzorging, kregen apothekers de kans kruidentuinen aan te leggen in of dichtbij de steden.
Grote geïllustreerde cruytboekenVanaf de late middeleeuwen werden steeds meer kruiden in boeken vastgelegd. Heel beroemd was het kruidboek ‘The herball’ van de Engelsen John Gerard en Nicholas Culpeper. Tussen de verschillende kloosterorden werden planten en plantenkennis uitgewisseld, die werd opgetekend in eigen kruidboeken. Maar sommige verhalen en illustraties werden wat al te kwakkeloos gekopieerd of gingen juist een eigen leven leiden. Zo zou volgens verschillende kruidboeken degene die de mangrovewortel opgroef ter plekke dood neer vallen… De kruidboeken kregen ook steeds meer officiële status en werden tevens gebruikt als studiemateriaal voor chirurgijnen. Deze gidsen kregen in de loop der tijd betere illustraties en de informatie werd steeds wetenschappelijker. Door de uitvinding van de boekdrukkunst in de 15e eeuw werd de medische kennis verder verbreid en kreeg een bredere lezerskring.
Kruiden krijgen een eigen plekje in de tuinIn de 17e eeuw werd een tuin gezien als een kunstuiting van de elite, die naast een verzameling planten ook kruiden en exotische siergewassen bevatten. Het oog wilde ook wat en dus kwam er plaats voor helder gekleurde kruidachtigen zoals goudsbloem of gele kamille, terwijl woekeraars als munt en zeepkruid op de achtergrond raakten. Uiteindelijk verdwenen kruiden naar de moestuin, waar vooral de keukenkruiden als smaakmakers gewaardeerd bleven. In deze tijd is weer een sterke trend te zien om kruiden in de sierborder toe te passen.
|
|
|
|
 |
|
 |

|
 |