 |

|
|
|
Bijen: héle nuttige insecten
|
 |
Behalve schadelijke insecten die de tuin belagen, zijn er ook die onmisbaar zijn voor een tuin vol bloemen en vruchten. Het belang van bijen in het voortbestaan van bloemen, planten en allerlei andere gewassen is groot. Vele planten, bloemen en fruitsoorten zouden zonder bijen tot uitsterven gedoemd zijn. Gelukkig is het belang wederzijds. Bloemen hebben bijen nodig voor de bestuiving om zaden en vruchten te vormen. En dezelfde planten voorzien in het ‘dagelijks brood’ van de bijenvolken met nectar en stuifmeel. Ze kunnen niet zonder elkaar. Een liefde voor het leven.
Nectar en stuifmeelBijen hebben ruime keus voor het verzamelen van nectar en stuifmeel. Bloemen die dit produceren, geuren en kleuren dat het een lieve lust is om de bijen te lokken – de concurrentie is groot! Als door verslechterde leefomstandigheden (zoals milieuvervuiling) de bloem minder voedsel levert, kan dat vervelende gevolgen hebben. De plant is dan niet meer interessant voor de bij, wordt niet bestoven en zal, als de omstandigheden niet verbeteren, op die plek niet kunnen overleven.
Om zeker te zijn van een goede bestuiving huren fruittelers vaak bijenvolken in bij imkers. De kans op een rijke oogst wordt door de aanwezigheid van een sterk bijenvolk enorm vergroot. Maar natuurlijk zijn ook andere factoren, zoals de weersomstandigheden, van invloed op het uiteindelijke resultaat. Bijen verstrekken ook direct en indirect voedsel aan de dierenwereld. Bekend is dat beren dol zijn op de zoete honing, maar ook vogels profiteren van het nijvere werk van de bijen. Doordat de bij op zijn voedselvlucht ‘per ongeluk’ de bloemen bestuift, worden er vruchten, bessen en zaden gevormd. Natuurlijk wordt een groot deel door mensen geplukt en gegeten. Maar er blijft nog genoeg over voor de vogels die hiermee de winter kunnen overleven. En zo is de cirkel weer rond. De bij is dus een heel belangrijke schakel in de natuur.
BestuiversZonder de bijen zou de wereld er kleurloos uitzien: er zouden maar heel weinig bloemen zijn. Maar hoe gaat bestuiving ook al weer in zijn werk? Er worden drie soorten van bestuivingen onderscheiden: door de wind, het water of door dieren. Verreweg de meeste planten zijn voor hun bestuiving afhankelijk van dieren: zoogdieren, vogels of insecten. Van de zoogdieren zijn het vooral de vleermuizen die bestuiven. En in de tropen en subtropen zijn de kolibries belangrijke bestuivers.
Maar voor de bestuiving van bloemen en planten komen insecten toch op de allereerste plaats. Bij insecten maakt men onderscheid tussen kevers, vliesvleugelen, tweevleugeligen en vlinders. Honingbijen, hommels en wespen behoren tot de familie van vliesvleugeligen en zij zijn voor bloemen verreweg de beste en belangrijkste bestuivers.
Bloemen worden vaak ingedeeld naar hun bestuivers: vogelbloemen, vleermuisbloemen en insectenbloemen. En die laatste weer per groep insecten. Bij bijenbloemen ligt bijvoorbeeld de nectar nogal ondiep omdat de bijentong maar 6 mm lang is. Bij hommelbloemen ligt de nectar iets beter verborgen en is meer kracht nodig om de blaadjes opzij te duwen - de hommel is hier sterk genoeg voor.
LokmiddelenInsectenbloemen zijn dikwijls opvallende, kleurige en geurige bloemen die contrasteren met de omgeving. Soms zijn de exemplaren aan de rand van een groep bloemen nog opvallender en groter om te dienen als lokmiddel voor de bestuivers. Veel bloemen hebben een speciale tekening op de kroonbladeren, vaak in de vorm van strepen, stippen of vlekken. Dit wordt het honingmerk genoemd: het wijst de weg naar de nectar. Het geheel van kleur, geur en vorm van de bloem (en natuurlijk de suikerconcentratie van de nectar), wordt door de bijen onthouden zodat ze hun voedselleverancier kunnen terugvinden.
Nectar wordt door de plant afgescheiden door actieve klieren, die gewoonlijk dicht bij de stamper zitten. Soms liggen deze klieren nogal aan de oppervlakte, zoals bij de appelbloesem. En soms meer verborgen zoals bij de klaver. Overvloedige regen kan de nectar uit open bloemvormen wegspoelen. En zon en wind kan het water uit de nectar doen verdampen, waardoor de suikerconcentratie hoger wordt. Daardoor kan het dat een perenboom aan de zonzijde veel intensiever bevlogen wordt dan de andere kant.
De bij is uitermate bloemvast. Dat wil zeggen dat ze op één vlucht op één soort bloemen vliegt. Ze is zelfs kleurvast, dus vliegt ze op bloemen van een bepaalde kleur. Ook waneer er anders gekleurde bloemen van dezelfde soort in de buurt staan. Hierdoor heeft succesvolle kruisbestuiving meer kans.
BestuivingDoor diep in de bloem te duiken op zoek naar nectar, blijven stuifmeelkorrels aan het harige lijfje van de bij plakken. Bij de volgende bloem laat zij wat stuifmeel op de aanwezige stamper (het vrouwelijke deel van de bloem) achter. De stuifmeelkorrels (de mannelijke geslachtscellen) worden gevormd in de uitstekende meeldraden van een bloem. De vrouwelijke eicellen zitten onder in de stamper, in het vruchtbeginsel. De kleverige stamper die uit het vruchtbeginsel groeit vangt een stuifmeelkorrel op via de zoekende bij. Deze mannelijke cel dringt via de stamper door naar de vrouwelijke eicel, de versmelting vindt plaats en de bevruchting is een feit. Hierna heeft de bloem eigenlijk haar werk gedaan. De bloembladen vallen af en de vrucht of de zaden groeien uit het vruchtbeginsel.
Er bestaan drie manieren van bestuiving. Ten eerste zelfbestuiving, waarbij het stuifmeel uit een bloem op de stamper van dezelfde bloem belandt. Ten tweede buurbestuiving, waarbij het stuifmeel op een andere bloem van dezelfde plant komt. En ten derde kruisbestuiving, die in de plantenwereld het meest wenselijk en gebruikelijk is. Hierbij komt er stuifmeel van een bloem van het ene plantenras op de bloem van een ander plantenras van dezelfde soort. Bij appels kan het ras Cox’s Orange bijvoorbeeld bestoven worden door het Golden Delicious-ras.
|
|
|
|
 |
|
 |

|
 |